Uit de Standaard van 25 januari 2008
Om de Vlaamse economie meer slagvaardig te maken is het bonton te pleiten voor de regionalisering van de vennootschapsbelasting. Volgens Bart Martens en Bart Van Malderen zijn er andere prioriteiten.
In kringen van Vlaamse politici en ondernemers wordt in koor gepleit voor meer economische instrumenten voor Vlaanderen. De klemtoon ligt hierbij steevast op de vennootschapsbelasting. Wij laten in dit debat graag een dissonante toon horen. We onderschrijven met veel enthousiasme dat er nood is aan een doorgedreven beleid dat onze economie voorbereidt op de toekomst. Als we onze welvaart effectief willen vrijwaren, zullen we ook een al te vergaande desindustrialisatie moeten voorkomen. Simultaan zal onze economie efficiënter dienen om te springen met grondstoffen en energie. Vlaanderen zal ongetwijfeld een veelvoud aan instrumenten in stelling moeten brengen om de veerkracht en weerbaarheid van onze economie ten opzichte van buitenlandse concurrentie in tijden van structureel stijgende grondstof- en energieprijzen te versterken. Onze legendarische productiviteit gebaseerd op de flexibele inzet van goedgeschoold personeel aan een zeer hoog arbeidstempo bereikt immers stilaan haar limieten.
Het bedrijfsleven beperkt zich in dit debat steevast tot een pleidooi voor de regionalisering van de vennootschapsbelasting, uiteraard met het oog op een verlaging ervan. De heren Leterme en Peeters sluiten zich graag aan bij dit patronale requisitoir. Beiden willen de beschikbare middelen liever vrij maken voor een lineaire verlaging van de vennootschapsbelasting dan voor de rechtstreekse ondersteuning van bedrijven. Volgens ons is een dergelijk scenario, los van de politieke en praktische haalbaarheid, niet het meest doeltreffende.
Willen we dat onze economie de nodige meerwaarde kan blijven opleveren, dan zullen we meer moeten inzetten op innovatie, kennis, duurzame technologie, activiteiten verderop in de productieketen, Kortom door te kunnen concurreren op kwaliteit in plaats van op kosten. Professor Leo Sleuwagen heeft hierover al menig boompje opgezet. Een zo ingrijpende transitie vraagt steun op maat. De kiemen van de innovatiegedreven economie zullen bijna met een druppelteller tot volle wasdom moeten worden gebracht. In plaats van het hele zaaibed te bemesten waardoor ook het onkruid opschiet dat de nieuwere en mooiere plantjes in de schaduw plaatst en hun groei belet. Nieuwe bedrijven en nieuwe technologieën zijn in hun aanvangsfase vaak niet winstgevend. Ze hebben dus ook niets aan verlaagde vennootschapsbelasting, wel aan specifieke incentives voor infant industries om een positie te kunnen uitbouwen in een toekomstige groeisector. Middelen voor dergelijke gerichte incentives afwenden voor een lineair verlaagde vennootschapsbelasting maakt dat onze economie de boot van nieuwe niches en nieuwe markten dreigt te missen. Kijk naar Duitsland. Daar heeft het voluntaristisch duurzaam beleid 235.000 jobs opgeleverd in de sector van de hernieuwbare energie. Tegen 2020 zal dit oplopen tot 400.000 jobs, waardoor deze sector de belangrijkste werkgever van het land wordt, belangrijker dan de automobielindustrie. Duitse bedrijven zijn vandaag al wereldmarktleider geworden in een sector die jaarlijks met double digits groeit en die zal blijven groeien door het schaarser en duurder worden van klassieke brandstoffen en door een verdere kostendaling van de alternatieven door innovaties en schaalvergroting. Een eventuele verlaging van de vennootschapsbelasting is evenmin een oplossing op de langere termijn en roept vragen op over de rechtvaardigheid van ons belastingstelsel. Kostenconcurrentie en de daarmee gepaard gaande reducties van bedrijfbelastingen roepen immers het beeld op van een hond die achter zijn eigen staart aanloopt. Deze vorm van overheidsoptreden maakt, net als overheidsgestuurde verlagingen van de kostprijs van arbeid, energie of kapitaal, deel uit van een mondiale race to the bottom die we op termijn eenvoudigweg niet kunnen winnen. Er is immers altijd wel een regio te vinden met nog lagere heffingen. Waarom Wallonië niet? Meestappen in deze redenering leidt in extremis tot een nultarief voor het bedrijfsleven. Hier stelt zich volgens ons een zwaar rechtvaardigheidsprobleem. Arbeid blijft immers onveranderd zwaar belast; de inkomens uit kapitaal, vermogen en bedrijfswinsten veel lager. Om te voorkomen dat de bedrijven hun winsten laten samenkomen in regio's met lagere of geen belastingen, is juist een Europese harmonisatie naar boven nodig in plaats van verdere versnippering en blinde fiscale concurrentie.
Het transitieproces van een factorgedreven economie en de bijhorende kostenconcurrentie naar een innovatiegedreven economie, vraagt dus andere maatregelen. Onder andere de efficiënte inzet van massaal meer middelen voor onderzoek en ontwikkeling. Waarbij we dan ook nog eens moeten waken over de maatschappelijke valorisatie van deze investeringen onder andere in de vorm van werkgelegenheid. Vlaanderen zal keuzes moeten maken: blijven geld toestoppen aan het produceren van basisproducten en halffabrikaten aan steeds verder onder druk staande kosten of investeren in meer kennisintensieve en kwalitatieve eindproducten, afgeleide producten en diensten, investeren in mainports of in brainports, in glasvezel of beton, Vlaanderen beschikt hiertoe al lang over een uitgebreid gamma aan bevoegdheden en initiatieven Blijkt dat deze niet optimaal worden ingezet.
Vlaanderen maakt er blijkbaar een zootje van, een kakofonie. Het ondertussen vaak aangehaalde rapport-Soete, waarvan de conclusies gisteren werden besproken in het Vlaams Parlement, plaatst alvast ernstige kanttekeningen bij het Vlaams economisch beleid: provincialistisch, niet afgesteld op alle actoren van het terrein, te weinig focus, te weinig resultaatgericht Is het dan niet eerder aangewezen werk te maken van een gedragen langetermijnvisie die haar krachtdadige vertaling vindt in complementaire beleidsdomeinen en maatregelen? Een beleid ook dat ondersteuning laat afhangen van concrete engagementen en zich laat afrekenen op de maatschappelijke valorisatie. Ons land heeft zeker nood aan een nieuwe institutionele architectuur. Al was het maar om de klassieke (uitkeringen, vervangingsinkomens...) en nieuwe (opbouw van menselijk en sociaal kapitaal) sociale uitdagingen in te vullen. Maar een regionalisering van de vennootschapsbelasting past niet in dat plaatje. Voor een toekomstgericht en duurzaam innovatiebeleid heeft Vlaanderen de instrumenten, maar we ontberen vooralsnog een partituur en een trefzekere dirigent.
Bart Martens en Bart Van Malderen (SP.A) zijn Vlaamse volksvertegenwoordigers
|